Wel of niet sporten deels verklaard door genetische aanleg

14-04-2016 | 14:21

Mensen verschillen in hun sportgedrag. Sommigen sporten nooit en anderen sporten regelmatig. Bij jonge kinderen worden deze individuele verschillen vooral bepaald door de omgeving waarin zij opgroeien. Vanaf een jaar of veertien wordt hun genetische aanleg steeds belangrijker en daalt de relatieve invloed van de omgeving. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Charlotte Huppertz waarbij data werden gebruikt van tweelingen die staan ingeschreven bij het Nederlands Tweelingen Register (NTR). Verder vond zij geen samenhang tussen sportgedrag en BMI in een grote groep 7 tot 18-jarigen.

Invloed genen en omgeving op sportgedrag
 Huppertz bracht in kaart hoe groot de invloed van genen en de omgeving is op verschillen tussen kinderen en adolescenten in sportgedrag.  Zij ontdekte dat de invloed van de omgeving afneemt naarmate kinderen ouder worden en dat de invloed van genen toeneemt. Bovendien vond zij dat sportgedrag matig stabiel is tijdens de kindertijd, maar dat de stabiliteit toeneemt naarmate kinderen ouder worden. Huppertz: “Een kind dat bijvoorbeeld op zevenjarige leeftijd sport, heeft een gematigde kans om nog steeds te sporten als het tien jaar oud is. De kans dat een adolescent die op zijn veertiende sport dit twee jaar later nog steeds doet, is daarentegen groter.” Deze stabiliteit wordt vooral bij jongens verklaard door een set genen die van invloed is op meerdere leeftijden. Het feit dat sportgedrag voor een deel erfelijk is, betekent dat het voor sommigen makkelijker is dan voor anderen om regelmatig te gaan sporten. Het betekent niet dat iemand met een ongunstige genetische achtergrond nooit zal sporten.

Geen samenhang tussen sporten en BMI
Sporten leidt tot een hoger energieverbruik en kan leiden tot minder vetopslag en dus een lager lichaamsgewicht. Huppertz vond echter geen samenhang tussen sportgedrag en BMI in een grote groep minderjarigen: sportende kinderen en jongeren hadden gemiddeld geen lager BMI dan niet-sporters. Andere factoren zouden het verwachte verband hebben kunnen laten verdwijnen, waaronder de energie die het lichaam gebruikt voor basale processen zoals zuurstofvoorziening en spijsvertering, dagelijkse beweging zoals fietsen of lopen, en voeding. “Als mensen meer gaan eten zodra zij beginnen met sporten, zal het lichaamsgewicht nauwelijks veranderen”, zegt Huppertz. “Dit neemt niet weg dat sporten belangrijke effecten heeft op de gezondheid en dat we er naar moeten streven om iedereen regelmatig te laten bewegen.” Verder bleek uit het onderzoek dat kinderen van hoogopgeleide ouders meer sportten dan kinderen van lager opgeleide ouders. De laatste groep wordt dus beschouwd als een risicogroep die speciale aandacht nodig heeft.

In de media:
Nu.nl en Metro België.

Meer informatie over het proefschrift in VU-DARE